korps gestichtswacht 1944
Korps Gestichtswacht 1944 (foto gevangenismuseum)

Gestichtswacht 40-45

Veenhuizen tijdens de Tweede Wereldoorlog

Veenhuizen bij het uitbreken van de oorlog 

Op 10 mei 1940 breekt de oorlog met Duitsland uit. Nog dezelfde dag wordt Noord- Nederland bezet. Ook de legerleiding had dat niet zo snel verwacht. Het feit dat het Hoofdkwartier van de Noord-Nederlandse strijdkrachten in Leeuwarden een vooruitgeschoven commandopost in Norg had ingericht, wijst hierop.  Waarschijnlijk heeft men gedacht een eventuele opmars van de Duitsers te kunnen vertragen. Echter al om tien uur ’s morgens van dezelfde dag was aan de troepen in Noord-Nederland de opdracht verstrekt zich terug te trekken op de Afsluitdijk omdat de Duitse overmacht te groot was. Het was triest en ontmoedigend vele Nederlandse militairen door Veenhuizen te zien terugtrekken op weg naar de Afsluitdijk. 

 

Slechts enkele uren later trokken Duitse groepen door Veenhuizen. Dat gaf nogal enige verwarring. Dit was vooral omdat de brigade Marechaussee, belast met bewakingsdiensten buiten de gestichten Veenhuizen I en II, zich op last van Defensie, waaronder ze vielen, zich op Amsterdam moest terugtrekken. Dit gebeurde volgens een al eerder gegeven opdracht, die trouwens gold voor alle marechausseebrigades in het Noorden. 

 

Maatregelen van de Directie in Veenhuizen 

Het zal voor de directie van de gestichten een moeilijke situatie zijn geweest. Nergens waren voorschriften te vinden wat zij moesten doen bij het uitbreken van de oorlog. Wel bestonden uiterst geheime voorschriften, geldend voor alle ambtenaren in Nederland. Deze regels waren echter alleen bekend bij afdelingshoofden op de Ministeries. Het is niet bekend of de Hoofddirecteur daar weet van heeft gehad. Die algemene voorschriften werden trouwens al heel snel vanuit Londen buitenwerking gesteld. 

 

Na het vertrek van de marechaussee werd de bewaking buiten de gestichten overgenomen door de ambtenaren van de beide inrichtingen. Men was op deze taak enigszins voorbereid door het volgen van enkele schietoefeningen. Het is niet bekend of deze oefeningen in opdracht van Den Haag of op initiatief van de Directie van Veenhuizen werden gehouden. Van veel betekenis zijn de oefeningen niet geweest, want nadien wisten velen nog moeilijk raad met hun schiettuig. 

 

Vanuit de lucht leken de gestichten op een soort kazerne. Omdat een bombardement werd gevreesd, was al voor de komst van de Duitse militairen op het Eerste gesticht Veenhuizen de witte vlag gehesen. De gebeurtenissen wekten grote onrust onder de gestichtsbevolking, bestaande uit een grote verscheidenheid van groepen gedetineerden, namelijk landlopers, zogenaamde “drankwetters”, openluchtgevangenen, kort gestraften, dienstweigeraars en souteneurs. 

 

Nadat de Duitse troepen door Veenhuizen waren getrokken en de burgerbewaking van de gestichten - die na overleg met een Duitse officier hun wapens mochten behouden! - de totale bewaking had overgenomen, brak in de openluchtgevangenis te Veenhuizen I een opstand uit. Men dacht dat de bewakers geen wapens meer hadden, "de directie had niets meer te zeggen". Men wilde naar huis. Ondanks herhaalde waarschuwingen dat bij uitbraak geschoten zou worden, werd een poging tot uitbraak ondernomen, waarbij één openluchtgevangene werd doodgeschoten. Daarna kon de rust, mede door inschakeling van ambtenaren uit Veenhuizen II, worden hersteld. 

 

De ambtenaren van beide gestichten werden daarna in groepen ingedeeld, die verder voor een uitgebreide bewaking moesten zorgen. Ook het onderwijzend personeel werd bij de bewakingsdiensten ingeschakeld en de scholen werden gesloten. De gedetineerden moesten in de gestichten blijven. De gebeurtenissen leidden tot onrust en spanning onder de ambtenaren, maar vooral in de gezinnen, omdat vader of man voor de bewaking in of bij de gestichten moest blijven. 

 

Die situatie heeft tot enige dagen na de capitulatie van ons land geduurd. Daarna nam het leven in Veenhuizen langzamerhand weer zijn oude vorm aan. Ook de marechaussee keerde na enige tijd weer terug en nam de buitenbewaking weer over van de ambtenaren. De marechaussee ressorteerde onder het Ministerie van Defensie, maar kreeg ook opdrachten van Justitie. Begin juli 1940 werd de marechaussee onder het Departement van Justitie geplaatst. 

 

De eerste oorlogsjaren in Veenhuizen 

De eerste jaren van de bezetting verliepen voor Veenhuizen vrij rustig zoals praktisch in ons hele land. De bevolking kwam enigszins tot rust. Het feit dat de oorlog in eerste instantie verloren was en we bezet gebied waren werd verwerkt. De Duitse bezetting viel niet direct tegen en was aanvankelijk minder drukkend dan was verwacht. 

 

De Veenhuizers waren eigenlijk de gehele oorlogstijd in een aantal opzichten bevoordeeld. Zo hadden de ambtenaren een eigen moestuin en een tuinman / gedetineerde. Geregeld was er via de gestichtsadministratie stalmest te koop voor de moestuin. Op speciale Veenhuizer bonnen was het mogelijk tegen lage prijzen hout, turf en klompen te krijgen. Zelfs werd op deze wijze kleding aan ambtenaren verstrekt. Typerend voor Veenhuizen speelde bij de kledingvoorziening het bekende rangenstelsel van ambtenaren een rol. Konden de ambtenaren in de lagere rangen een manchester pak krijgen voor ongeveer 10 gulden, onderwijzers daarentegen een pak van duurdere stoffen en bovendien een stofjas.  

 

Ambtenaren in de hoge rangen zelfs een kamgaren pak! Evenals elders werd ook in Veenhuizen "geknoeid" met de levering van melk, rogge en koolzaad. Merkwaardig vaak kwamen noodslachtingen voor, waardoor extra vlees voor de Veenhuizer bevolking beschikbaar kwam! 

 

Wat ook afstak bij de landelijke situatie was dat men in het bezit bleef van de telefoon. Een eveneens belangrijk voordeel was dat de in 1912 gebouwde elektrische centrale ingeschakeld kon worden om vrij vaak voorkomende storingen in de stroomvoorzieningen op te vangen. De stookolie voor de centrale was even voor het uitbreken van de oorlog ingekocht en opgeslagen in een ondergrondse tank. 

 

Bovendien was voldoende turf aanwezig, waarmee deze centrale ook gestookt kon worden. Bij ernstige ziekte of een nachtelijke bevalling was een telefoontje naar de hulpcentrale voldoende om ook 's nachts voor een behoorlijke verlichting te zorgen. Bovendien vergemakkelijkte deze stroomvoorziening het luisteren naar verboden Engelse zenders. Blinden voor de ramen van de meeste woningen vereenvoudigden de verplichte verduisteringsmaatregelen. 

 

Hoewel er betrekkelijk weinig ambtenaren lid van de N.S.B. of pro-Duits waren, moest men ze natuurlijk wel in de gaten houden en voorzichtig zijn. Een groot voordeel was dat men in deze betrekkelijk kleine gemeenschap wist wie dit waren. De indruk bestaat, dat - enkele figuren uitgezonderd - de bevolking niet die last van hen heeft ondervonden die mogelijk zou zijn geweest. Een verzoek van een N.S.B.- ambtenaar voor het houden van een W.A. oefen- en propagandamars over de wegen Veenhuizen II en III werd door de Hoofddirecteur van de Rijkswerkinrichtingen aan de Secretaris-generaal van het Departement van Justitie om een beslissing voorgelegd. Het verzoek werd afgewezen op 26-10-1942. Op 08-12-1942 werd de S.G. bericht dat op zondagmiddag ondanks zijn verbod een W.A. mars gehouden werd. 

 

Het leven in en om de gestichten 

Bij aanstelling van nieuw personeel kon men vrij gemakkelijk een toevloed van "verkeerden" voorkomen. Van Duitse invloed daarop was weinig te merken. Bij sollicitaties van personen, die men niet vertrouwde kreeg meestal de keurende geneesheer vooraf bericht dat de sollicitant "verkeerd bloed" had. Dat leidde bijna altijd tot afkeuring. Ook werden omstreeks 1942/1943 nieuwe rangen voor de bewaking ingevoerd. (huismeester - hoofdzaalopziener - eerste zaalopziener - hulpzaalopziener) Onder druk van de bezetter moesten de ambtenaren een verklaring afleggen, waarin loyaliteit ten opzichte van de bezetter werd verlangd. Men bleef echter onder eigen Directie en de Duitsers lieten zich amper zien. 

 

Voorts werden de chauffeurs die in dienst waren van de artillerie-inrichtingen Hembrug (NH) per 1-1-'43 benoemd tot ambtenaar van het Departement van Justitie. 

 

De verschillende onderdelen van de gestichtsorganisatie, bijv. de sectoren landbouw en huisdienst konden vrij normaal doordraaien. Dat gold zelfs ook voor het Fabriekswezen, dankzij het tijdig inslaan van grote voorraden grondstoffen, met name stookolie. De gedetineerden hebben het de gehele oorlog door goed van eten en drinken gehad. Aan het broodrantsoen werd praktisch niet getornd. In de eigen bakkerij werd op een behoorlijke portie brood per persoon gerekend. Groente en aardappelen waren er in de gestichtstuin in ruime mate. Ook aan gedetineerden werden extra toewijzingen voor zware of "giftige" arbeid toegewezen, ook al stond de medische noodzaak niet altijd vast. Het was echter een methode om de bezetters om de tuin te leiden, waar dankbaar gebruik van werd gemaakt. Dat die medische noodzaak niet altijd vaststond was wel duidelijk! 

 

In de gestichtskantine werd het niet meer kunnen krijgen van pruimtabak - vooral bij de verpleegden een gewild artikel – als een groot gemis gevoeld. Men heeft dat enigszins kunnen verlichten door in plaats van pruimtabak kalmoeswortel te verstrekken. De gedetineerden waren over het algemeen anti-Duits en trokken zo nodig één lijn met de goede ambtenaren. Zoals gewoonlijk in oorlogstijd bloeide ook in Nederland het verschijnsel van de zwarte handel sterk op. Grote aantallen veroordeelde overtreders van deze verboden activiteit werden voor het ondergaan van hun straf naar de strafgestichten in Veenhuizen gezonden. Soms werden er op een wekelijkse inschrijfdag meer dan 60 zwarthandelaren opgenomen. Met de zwarthandelaren verscheen er een nieuwe categorie gevangenen in Veenhuizen. 

 

Om een beeld te geven van de samenstelling van de gestichtsbevolking volgt hieronder een momentopname van 31 maart 1942.

 

Op die dag waren aanwezig: 

  • 665 bedelaars en landlopers 
  • 27 dronkaards 
  • 29 souteneurs 
  • 95 zogenaamde openluchtgevangenen 
  • 1042 zogenaamde achterstands-gevangenen en 
  • 7 in bewaring gestelden 

1865 man totaal 

 

Het is al gezegd dat de diverse diensten in Veenhuizen behoorlijk bleven functioneren. Daarbij was een zekere voorzichtige inventiviteit geboden, met name ook met betrekking tot de contacten met het Departement van Justitie in Den Haag en later in Apeldoorn. De niet bijzonder intensieve contacten, veel telefonisch, hadden meestal betrekking op de voedselvoorziening. Ook is in de eerste jaren van de oorlog weinig te merken van contacten met het gemeentebestuur van Norg of met Duitse instanties, die zich bijna niet met Veenhuizen inlieten. De indruk bestaat dat men zich in Veenhuizen maar zoveel mogelijk moest zien te redden.  Wel moest op een gegeven ogenblik twintig hectare groente worden verbouwd voor de Duitse militairen in Assen. 

 

Uitingen van beginnend verzet 

In het bloeiende verenigingsleven veranderde de eerste jaren van de bezetting weinig. Wel moest de Oranjevereniging op last van de bezetter worden opgeheven. Alle gelden, effecten e.d. moesten binnen drie dagen worden gestort op rekening van de Commissaris voor niet-commerciële Verenigingen en Stichtingen. Na de oorlog werd via het Nederlands Beheersinstituut van het destijds overgemaakte bedrag ad. f 183,18 aan de Oranjevereniging f 131,78 teruggegeven. 

 

Enkele uitingen van verzet, die enigszins de sfeer in Veenhuizen in die donkere dagen weergeven, vonden plaats in verenigingsverband. Zo klonk tijdens de uitvoering van de plaatselijke zangvereniging plotseling in de stampvolle zaal van het Verenigingsgebouw een uit volle borst gezongen Italiaans liedje, echter met verboden tekst: 

 

"O, arme schildersjongen, wat ben je toch begonnen,  

want met al je mitrailleurs en bommen,  

kun je lekker niet in Eng' land kommen " 

 

Dit werd doorgebrieft aan de Sicherheits Dienststelle (S.D.) te Assen. Het gevolg was het bestuur van het zangkoor bij de S.D. op het matje werd geroepen. De leden moesten hun partituren bij de marechaussee inleveren. De zangvereniging moest worden opgeheven en de bezittingen werden verbeurd verklaard. Kort daarop was er een nieuw zangkoor onder de naam van Kerkkoor! 

 

Een ander voorval. De gymnastiekvereniging, waarvan ook een ondergedoken joodse actief lid was, zou aan een wandeltocht over 35 km. in Leek deelnemen. Als training werden in Veenhuizen daarvoor oefentochten georganiseerd. Bij één van die tochten liep er iets uit de hand. Toen men namelijk langs het huis van een kringleider van de N.S.B. trok werden er allerlei vaderlandse liederen gezongen. Ook hiervoor werd het bestuur bij de S.D. in Assen ter verantwoording geroepen. De S.D. nam - hoe was het mogelijk! - geen maatregelen toen als excuus werd aangevoerd: "jeugdige onbezonnenheid". 

 

Iets dergelijks gebeurde, toen de geboorte van prinses Margriet in Canada hier bekend werd. Een verkeerde ambtenaar, die voor de oorlog al eens als heraut was opgetreden bij een Oranjefeest, werd opgebeld met het verzoek weer als heraut op te treden om het heugelijke nieuws bekend te maken. Toen dit in ruime kring bekend werd en ook de Directie er weet van kreeg, volgde ontslag op staande voet van de "boosdoener", een jeugdige ambtenaar. Een maatregel, waarmee wellicht toen veel onheil werd voorkomen. 

 

Nog een voorval, typerend voor de Veenhuizer gemeenschap in die jaren, betrof de rijks lagere- en U.L.O. school te Veenhuizen II. De Inspecteur van het L.O., een N.S.B.'er, meende ook deze school eens te moeten bezoeken. Bij zijn komst kreeg hij echter van het schoolhoofd te horen dat hij zich op verboden terrein bevond (borden art. 461 W.v.S.) en niets met de school te maken had. Hij moest zich maar bij de Hoofddirecteur vervoegen. De Inspecteur, blijkbaar niet wetende dat deze school onder Justitie ressorteerde en niet onder het Ministerie van Onderwijs, droop gepikeerd af. 

 

Ook de kerken in Veenhuizen lieten vanaf de kansel duidelijk uitkomen dat het nationaal-socialisme in de praktijk zich wel heel moeilijk liet verstaan met het Christendom. 

 

De latere oorlogsjaren 

Maatregelen van de bezetter. Het is al wel duidelijk geworden dat zoals in de meeste plaatsen de algemene stemming sterk anti-Duits was. De eerste jaren van de oorlog deden zich hier geen grote moeilijkheden voor. Naarmate de oorlog langer duurde en de kansen op een Duitse overwinning slonken, werd de verstandhouding tussen bevolking en de bezetter met zijn handlangers, steeds grimmiger.

 

Dit werd in de hand gewerkt door allerlei maatregelen van de bezetter, zoals verplichte inlevering van radio's en van metalen zoals koper ect., maatregelen waaraan ook de Veenhuizer gemeenschap niet ontkwam. De buit was echter niet groot. Wel roofden de Duitsers in 1943 de torenklok van de N.H.- kerk, die was geschonken door mevrouw S.E. Modderman-Geertsema, weduwe van de eerder overleden Hoofddirecteur. Ook vorderen de Duitsers in Veenhuizen gefabriceerde schoenen, de zogenaamde kistjes.

 

Veenhuizen ontkwam ook niet aan de Jodenvervolging. Het enige Joodse gezin hier, de familie Brommet, werd opgepakt en weggevoerd. De bordjes "Verboden voor Joden" kwam men ook in Veenhuizen tegen, zoals in het Verenigingsgebouw. Begin mei 1943 was de verplichte "Arbeitseinsatz" in werking getreden. In beginsel kwamen daardoor alle Nederlandse mannen van 18 tot 45 jaar in aanmerking voor tewerkstelling in Duitsland ten behoeve van de oorlogsindustrie. In 1943 omvatte deze verplichte tewerkstelling de mannen geboren in 1920 tot en met 1924.

 

De namen van diegenen, die aan de oproep geen gevolg gaven, werden door de Duitse Fachberater aan de S.D. doorgegeven. De S.D. trachtte, mede door inschakeling van landwachters, deze mannen te arresteren. Lukte dit dan werden ze in één of ander kamp geïnterneerd. Na de jaargangenactie werden de overheidsdiensten uitgekamd om maar werkkrachten voor de oorlogsindustrie te vinden. Deze maatregelen, die in lijnrechte strijd waren met het oorlogsreglement, lokten ook in Veenhuizen felle protesten uit. 

 

Verzetsactiviteiten 

De maatregelen van de bezetter hadden tot gevolg dat vele jongemannen, die voor tewerkstelling in Duitsland in aanmerking kwamen, gingen onderduiken. Deze onderduikers hadden een onderduikadres en distributiebescheiden nodig. Onderdak werd in ruime mate in Veenhuizen geboden. Ook het probleem van bonkaarten, kleding en dergelijke werd opgelost door illegale organisaties zoals L.O.-K.P. (L.O.= Landelijke Organisatie opvang onderduikers en Knok Ploeg). Het feit, dat meerdere jongedames uit Veenhuizen op het distributiekantoor in Norg werkzaam waren, was daarbij een niet gering voordeel. Uniek was in Veenhuizen dat de onderduikers zich daar buiten vertoonden in gedetineerdenkleding en soms als tuinman aan het werk waren bij onderdakgever. Bij razzia’s werden soms onderduikers ingeschreven en ingesloten in het Cellengebouw te Veenhuizen II, om ze te verbergen voor de Duitsers. 

 

De verplichte tewerkstelling had tot gevolg dat het verzet nu fellere en vijandiger vormen aan was gaan nemen. Evenals elders bestond het verzet tegen de deportatie van arbeidskrachten in Veenhuizen vooral uit het doorgeven van berichten van de Engelse zender en het verspreiden van illegale lectuur zoals de blaadjes "Je Maintiendrai" en "Trouw". Razzia’ s en huiszoekingen, waarbij meermalen foute ambtenaren werden ingeschakeld, verbreedden nog meer de bestaande kloof tussen "goeden" en "verkeerden" in ernstige mate. 

 

Een algemene maatregel, waarmee men in Veenhuizen ook werd geconfronteerd, was dat de Nederlandse militairen zich moesten melden om in krijgsgevangenschap te worden gebracht. Ook hieraan werd nagenoeg geen gevolg gegeven in Veenhuizen. Merkwaardig is dat ook oud-militairen onder de gedetineerden zich zouden hebben moeten melden bij de Directie van de inrichtingen. Zo zouden zich in Veenhuizen II ongeveer tien gevangenen hebben gemeld, die hiervan echter geen moeilijkheden van hebben ondervonden. Van verzet tegen de maatregelen van de bezetter getuigde ook een brief, ondertekend door 72 ambtenaren, waarin werd geprotesteerd tegen de tewerkstellingen in Duitsland en waarin nadrukkelijk werd gesteld dat men Nederlander was en er niet voor voelde de Duitse oorlogsmachine draaiende te houden. Het was vooral voor die tijd een waardige en moedige reactie, die voor zover is na te gaan, geen kwade gevolgen heeft gehad. 

 

Algemeen was men in september 1944 hoopvol gestemd op spoedige beëindiging van de oorlog en de bevrijding van de Duitse bezetting. Dat dit ook het geval was in Veenhuizen blijkt uit het feit dat enkele Veenhuizers een illegaal "Oranje Comité" vormden in de verwachting dat Nederland spoedig bevrijd zou zijn. Het doel was alvast voorbereid te zijn op de komende bevrijding en een feestprogramma te ontwerpen. 

 

Pas 7 maanden later konden de plannen uit de schuilplaats worden gehaald! Er volgde echter eerst nog een zeer moeilijke periode. Naarmate het de Duitsers slechter verging, werden de maatregelen die zij namen steeds ingrijpender en feller. 

 

Aan de Duitse zijde een dreigende nederlaag die vaak met allerlei ongeoorloofde middelen en in strijd met het Volkenrecht moest worden voorkomen, aan geallieerde kant een dagende overwinning en de bevrijding, die diende te worden bevochten. Het ging hard tegen hard, uitlopende op een steeds toenemende terreur van Duitse zijde in de bezette gebieden. Ook Veenhuizen kreeg daarmee te maken. 

 

Droppingen In de zomer van 1944 werd de K.P.(knokploeg) Noord-Drenthe, waarin ook een paar Veenhuizer jongens actief waren, ingeschakeld bij de nieuwe geheime Dienst in London, bij het Bureau Bijzondere Opdrachten. In verband met het beruchte “Englandspiel” was dit bureau in de plaats gekomen van de oude inlichtingendienst. Toen de geallieerde troepen bij Arnhem dreigden door te breken had de Nederlandse regering in London op 5 september 1944 alle gewapende verzetsgroepen gemilitariseerd. Zoals bekend werden ze samengevoegd in de Binnenlandse Strijdkrachten (B.S.) onder bevel van Prins Bernhard. Om aan de eindstrijd te kunnen deelnemen moesten deze groepen worden geïnstrueerd en van goede wapens worden voorzien. Daartoe werden meerdere "droppingsterreinen" uitgezocht waar de wapens in het nachtelijke donker door geallieerde vliegtuigen werden uitgeworpen en door verzetsgroepen werden opgevangen. Ook in Veenhuizen was een droppingsveld in de omgeving van de oude schietbaan achter "de Kweek", richting het huidige Fochteloërveen. Dit afwerpterrein werd gebruikt door de genoemde K.P. Noord - Drenthe. Zo'n dropping was geen eenvoudige opgave. Ze vroeg naast allerlei apparatuur veel voorbereiding. En natuurlijk personen, die dat gevaarlijke werk aandurfden en aankonden. 

 

"Instructies voor afwerpterreinen en droppings" geven enige indruk van deze nachtelijke operaties. Iedere dropping had een codeletter. Men moest met een witte lamp, die zich op 15 meter naast de drie rood-wit rode lampen bevond, constant licht geven als het vliegtuig er boven was. Deze witte lamp seinde met lange en korte lichtseinen de codeletter. Niet altijd lukte zo'n dropping. Vaak stonden jongens nachten lang in het veld zonder dat het vliegtuig kwam. De eerste dropping in Veenhuizen mislukte door onbekende oorzaak. De afgeworpen wapens kwamen in de buurt van Fochteloo en vielen in de handen van de Duitsers, die daarmee tevens te weten kwamen dat in de nabijheid een droppingsterrein moest zijn. 

 

Op een nacht in de loop van september 1944 werd er weer een dropping verwacht. Toen de ploeg op het afwerpterrein was, kwam er een vliegtuig over. Men dacht, dat het het verwachte vliegtuig was. Er werd geseind, maar toen kregen de K.P.'ers in de gaten dat het een Duits vliegtuig was. Halsoverkop werd het terrein verlaten en gingen de jongens naar de schuiladressen in Veenhuizen. Vrij vlug daarna verschenen de Duitsers ter plaatse en zochten het veld af. Gelukkig werd er niemand ontdekt. Wel werden de Duitsers er weer op geattendeerd dat er in Veenhuizen een afwerpterrein moest zijn. Als in Veenhuizen een dropping werd verwacht, verbleven de K.P.'ers meestal in de R.K. pastorie. Van daaruit gingen ze via het bruggetje over de Hoofdvaart naar het afwerpterrein. 

 

In de nacht van 9 op 10 oktober 1944 vond een geslaagde dropping plaats. Het was een dubbele dropping, naast wapens kwamen ook vier agenten naar beneden. De agenten, 2 Nederlanders en 2 Belgen, bleven enige dagen in Veenhuizen op verschillende adressen. Ze hadden de opdracht wapeninstructie te geven aan verzetsgroepen in Groningen, Friesland en Drenthe. Deze dropping, die als codeletter de Q had en als slagzin: "Napoleon heeft het ook gedaan", werd door de K.P. Noord-Drenthe uitgevoerd met behulp van een opvangploeg van Veenhuizer gestichtswachters. De wapens zaten in genummerde containers van ca. 2 meter lang en met een doorsnede van ca. 60 cm. Zij wogen, afhankelijk van de inhoud, 200 tot 400 kg. 

 

Stenguns, pistolen, munitie, handgranaten, springstoffen, sabotagemateriaal en ander wapentuig vormden meestal de inhoud van de containers. Ook waren vaak sigaretten, tabak, chocolade en suiker ingesloten. De wapens werden eerst opgeborgen in een gebouwtje bij de schietbaan. Vandaar werden ze vervoerd naar de boerderij van de familie Woering en daar verstopt onder de vloer, en naar de zolder van het oude Cellengebouw in Veenhuizen II. 

 

Verzet en (re-)acties van de bezetter 

Noord-Nederland was na de septemberdagen in 1944 overstroomd door vele verkeerde elementen, die na de dreigende doorbraak bij Arnhem van de geallieerden, naar het Noorden waren gevlucht. Ook hadden de Duitsers hun opsporingsapparaat behoorlijk uitgebreid. In Assen was een "Sondercommando" aan de S.D. toegevoegd, die speciaal belast was met het bestrijden van verzetsgroepen. Ook had zich in Norg een aantal Nederlandse landverraders gevestigd, die op een vreselijke manier de Duitsers daarbij behulpzaam waren. 

 

Onder meer in Veenhuizen hield deze groep, die zich de naam "Bloedploeg" had verworven, op een onmenselijke manier huis. Ze hadden zich in Norg in de villa Nijenhof aan de weg naar Langeloo gevestigd. In die villa werden verdachten en niet verdachten verhoord, waarbij gruwelijke middelen werden toegepast. Bedreigingen door afgerichte vervaarlijke honden, het tot aan stikken toe onder water duwen van slachtoffers waren onder andere daarbij gebruikelijk om bekentenissen los te krijgen. 

 

Omdat de Duitsers zaten te springen om werkkrachten voor het maken van versterkingen werd Veenhuizen verplicht gedetineerden beschikbaar te stellen voor de aanleg van een vliegveld bij Havelte. Het eerste contingent moest worden geleverd op 24 oktober 1944. Op de dag daarvoor vergaderden de Hoofddirecteur en directieleden van de gestichten om zich te bezinnen over de ontstane toestand. Algemeen was men van oordeel, dat aan de eis van de Duitsers niet kon worden voldaan, zodat op deze 23 oktober de gehele directie onderdook. 

 

Van de overblijvende ambtenaren werd de Adjunct-directeur van het fabriekswezen aangewezen als Hoofddirecteur en de Commiezen ter Directie als directeur van de gestichten. De verslagenheid was groot in Veenhuizen. Er schijnt zelfs overwogen te zijn om de gedetineerden maar allemaal los te laten, maar daar is het gelet, op de onvoorzienbare gevolgen, niet van gekomen. Over het onderduiken van de directie heerste er in eerste aanleg nogal verschil van mening. Naast begrip voor de daad van de directieleden werden er ook opmerkingen als "nu laten ze ons ervoor opdraaien" gehoord. 

 

De Duitsers waren woedend. Al gauw verscheen een "hoge" Duitser uit Den Haag, vergezeld van de inspecteur van het Gevangeniswezen. Geruchten deden in Veenhuizen de ronde dat de W.A. (weerafdeling) de leiding van de gestichten ging overnemen. De ambtenaren zouden naar Duitsland worden gedeporteerd. Inderdaad schijnt de N.S.B. er op geloerd te hebben Veenhuizen onder leiding van een W.A. 'er te brengen. Gelukkig is dat niet gebeurd. Het is waarschijnlijk voorkomen door bemiddeling van de Duitse Referent voor het Departement van Justitie, de Inspectie van het Gevangeniswezen en de waarnemend Hoofddirecteur. Ter versterking van de directie werd een directeur van de gevangenis Arnhem overgeplaatst naar Veenhuizen. Hij betrok de Hoofddirecteurswoning. De nieuwe leiding werd verantwoordelijk gesteld voor het verder functioneren van Veenhuizen. Zij kon zelfs door zorgvuldig te handelen voorkomen dat het huisraad van één der ondergedoken directieleden werd "gevorderd". 

 

In ieder geval bleef Veenhuizen een W.A. leiding bespaard. Volgens een ambtenaar uit die tijd, die op de hoogte was van wat er plaats vond, slaakten velen, die wisten wat er speelde, een zucht van verlichting. De beslissing van de Duitsers geen W.A. leiding in Veenhuizen te vestigen, werd op zijn verjaardag genomen. Een mooiere verjaardag had hij nooit kunnen hebben. De terreur van de Duitsers ging echter door en verscherpte met de dag, terwijl anderzijds het verzet eveneens toenam. Zo dook eind oktober 1944 een illegale werker onder bij Paapst in Veenhuizen. Hij had op wonderbaarlijke wijze een fusillering overleefd. Omdat hij gewond was, werd de hulp ingeroepen van de gestichtsarts in Veenhuizen. 

 

Van betekenis was ook dat op 26 oktober 1944 bij Orvelte 7 leden van de Noord- Drentse K.P. door de S.D. werden gearresteerd. Zij waren op weg naar een afwerpterrein. Onder hen bevond zich een Veenhuizer jongen. Ook was er een illegale werker bij, die aan de droppingen in Veenhuizen had deelgenomen. Door ontzettend zware en onmenselijke verhoren slaagden de Duitsers er in belangrijke gegevens over het verzet in Drenthe en ook in Veenhuizen te verkrijgen. Een en ander leidde in Veenhuizen tot acties van het “Sonderkommando” van de S.D. uit Assen, van de " Bloedploeg" uit Norg onder Duitse leiding en bijgestaan door landwachters. Zo werden in de vroege morgen van 2 november 1944 huiszoekingen naar o.a. onderduikers uitgevoerd. De brief van 6 november 1944 van de waarnemend Hoofddirecteur aan de Secretaris-generaal van Justitie vermeldt enkele gebeurtenissen en geeft aan dat niet klakkeloos alles werd geaccepteerd wat Duitse trawanten uitvoerden. Men durfde stelling te nemen. Belangrijk in de reeks gebeurtenissen was ook dat op 26 november 1944 een geallieerd vliegtuig bij Haulerwijk neerstortte. Enige bemanningsleden werden door een paar Veenhuizer illegale werkers op verschillende adressen in Veenhuizen ondergebracht.  

 

Er was ook een gewonde vlieger bij, die ook door de Veenhuizer arts werd behandeld. Het neerstorten van het vliegtuig veroorzaakte onder de gedetineerden van het Tweede gesticht enige onrust. 

 

Op 11 december 1944 overviel de K.P. Noord-Drenthe het Huis van Bewaring te Assen en wist 29 merendeels zware illegale werkers, die in handen van de Duitsers waren gevallen, te bevrijden. Onder hen ook de eerder genoemde 7 leden van deze K.P., onder wie de K.P.'er uit Veenhuizen. Aan deze spectaculaire en ongelooflijk moedige operatie nam ook een andere Veenhuizer K.P.'er deel. De bevrijde Veenhuizer K.P.'er wist niets van al dat zich inmiddels in Veenhuizen had afgespeeld. Nadat bleek, dat zijn aangewezen contactadres onbereikbaar was, kwam hij met een andere K.P.'er na enige omzwervingen in Veenhuizen aan. Zij ontmoetten een "goede" ambtenaar, die de twee K.P.'ers in een veestal aan de weg naar het Esmeer onderbracht en voor hen zorgde. Via enkele vrienden van de L.O.- K.P., die op de hoogte waren gesteld, werden ze op een nacht naar een veiliger onderduikadres in Appelscha gebracht. 

 

De woede van de Duitsers over deze overval kende geen grenzen. Op snelle wijze werd nu ingegrepen, gebruikmakend van de inlichtingen die ze hadden verzameld. In Veenhuizen werd de arts, die aan gewonde illegalen medische hulp had verleend door de "Bloedploeg" gearresteerd. Angst voor de beruchte methoden van deze barbaren heeft hem er waarschijnlijk toe gebracht om praktisch alles wat hem over het verzet bekend was, te vertellen, waardoor de Duitsers veel over het verzet in Veenhuizen te weten kwamen. 

 

Arrestaties en slachtoffers 

Op 12 december werden Js. Assies en E. Paapst, die onder andere piloten hadden verborgen, gearresteerd. Op 13 december wemelde het van Duitsers en landverraders. Gearresteerd werden Egberts, Woering en Meijering. De bij Woering en Meijering ondergedoken geallieerde piloten en onderduikers werden bij de huiszoeking niet in hun verborgen schuilplaatsen - met behulp van een gedetineerde gebouwd - ontdekt. Zij weten, evenals een paar K.P.'ers te ontkomen. 

 

Op 15 en 16 december volgde de arrestatie van de in totaal 10 gestichtswachters, die als opvangploeg bij de geslaagde dropping hadden geholpen. Op 18 december werden de twee gebroeders Assies, die aan de Zesde Wijk woonden, gearresteerd. De daar ondergedoken geallieerde piloten waren inmiddels naar elders vertrokken. Alle mannen, die hiervoor zijn genoemd, kwamen in het concentratiekamp Neuengamme om het leven, evenals Welleman, die in januari 1945 werd gearresteerd. Hij was één der ondergedoken directeuren van Veenhuizen. 

 

De namen van de gestichtswachters en overige omgekomenen zijn in het verzetsmonument ingemetseld in een koker met de namen van onderstaande personen, die zijn omgekomen bij de Duitse bezetting afkomstig uit Veenhuizen. 

 

Bij bombardementen omgekomen: 

  • Henk Meyering
  • Johannes van der Velde 

Gefusilleerd in Trimunt: 

  • Berend Assies 

Wegens hulp aan parachutisten gefusilleerd: 

  • Max Assies

In Concentratiekamp Neuengamme omgekomen:

  • Directeur J. Welleman
  • Werkmeester/boer J.
  • Assies Werkmeester/boer G. Meijering
  • Werkmeester/boer K. Woering
  • Boer Harm Assies Boer Jan Assies
  • Winkelhouder/kruidenier Emo Paapst
  • Brigadier Hendrik Egberts 

Gestichtswachter Hendrik Bethlehem en onderduiker Gerrit de Groot zijn opgepakt en nimmer teruggekeerd. Op de terugreis vanuit Duitsland is, ten gevolge van doorgestane ontberingen overleden Jan Kroes. 
Eveneens in het concentratiekamp Neuengamme zijn omgekomen de volgende 10 gestichtswachters: 

  • Krijn Adrianus Jan Bouman
  • Johannes Theodorus van Diesen
  • Onno Dijkstra
  • Jan Johan de Groot
  • Marinus van Oeveren
  • Berend Okken
  • Klaas Rodenhuis
  • Engelke Rops
  • Pieter WarntjeTuin
  • Harten Veldhuisen 

Veenhuizen heeft, afgezet tegen de aanwezige "burger" bevolking in Veenhuizen, een hoge tol betaald. Anderzijds kan, ook worden gesteld, - het werd al eerder vermeld - dat op het terrein van de voedselvoorziening, verwarming, verlichting en andere zaken men zich in Veenhuizen in een bevoorrechte situatie heeft bevonden. 

 

Of, zoals een oud-Veenhuizenaar opmerkte, er zou ongeveer tot het voorjaar van 1943 weinig van een bezetting in het immer gezagsgetrouwe Veenhuizen te bemerken zijn geweest. Men kon er nogal wat zeggen en had weinig of geen last van de enkele "verkeerde". De kolonie was als het ware een kleine enclave in het bezette Nederland, zoals ze trouwens voorheen ook een Hollandse enclave in het Drentse land was. In het voorafgaande bleek de al veranderde situatie na mei 1943, ook in Veenhuizen. Die verandering kwam daar wellicht harder aan dan elders. Men kon zich achteraf afvragen of de oorspronkelijk uitzonderlijke positie mede van invloed is geweest op latere gebeurtenissen. 

 

De maanden voorafgaande aan de bevrijding 

Hoewel ook de in Veenhuizen clandestien beluisterde Engelse radiozender liet weten dat de bevrijding naderde, ondervonden de Veenhuizenaren nu toch ook steeds meer de lasten van de bezettende macht en hun trawanten. Het gemis van en de ongerustheid over gezinsleden, waarmee in dit verband ook bedoeld worden zij, die wegens arbeidsinzet of onderduiken afwezig waren, werd steeds meer gevoeld. Bovendien vroegen nieuwe omstandigheden de aandacht. Zo vonden evacués uit het eerder bevrijde Zuiden - Venlo en omgeving - een goed onderkomen in de tijdelijk ontruimde school. Deze en de latere evacués konden na een eerste opvang later in Westervelde en omgeving worden ondergebracht. Landwacht en Duitsers werden actiever en hadden Veenhuizen “ontdekt”. Zo werden er in februari 1945 nog een aantal arrestaties verricht. 

 

Van hoe het reilen en zeilen in de gezinnen verliep in die periode, waarin er ook een toenemende spanning viel te bespeuren bij de bezetters - er werd gefluisterd dat ze in de omgeving 's nachts met de uniformen aan sliepen -, kan men een goede indruk krijgen door het lezen van een kopie van een dagboekje, geschreven door een toentertijd 17-jarige inwoonster van Veenhuizen. 

 

Enerzijds komt hierin duidelijk de veranderde meer gespannen situatie naar voren, terwijl anderzijds nog eens blijkt dat ook toen nog in Veenhuizen op het gebied van de dagelijkse behoeften tot april 1945 afwijkende, betere omstandigheden en mogelijkheden waren dan elders. In maart 1945 kwamen naast de vele toch al aanwezige evacués, vluchtelingen of onderduikers nog eens de gevolgen van de ontruiming van het door de bezetters gevorderde Rijksasiel voor psychopaten te Avereest. 

 

De ontstane situatie vergde ook in de gestichten, om een zo goed mogelijke gang van zaken te kunnen handhaven, het treffen van bijzondere maatregelen. Afwijkende diensten moesten worden verricht. Zo werden op de verpleegdenafdeling van het Tweede gesticht nachtdiensten verricht door het personeel van het toen zo geheten "Algemeen Bureau". Zelfs werd rekening gehouden met de mogelijkheid tot het slapen in de inrichting. Daartoe werden strozakken verstrekt, die overdag onder de bureaus werden weggewerkt. Allengs kondigde de feitelijk bevrijding zich steeds sneller aan. Doorsijpelende berichten over geallieerde soldaten, die in de naaste omgeving zouden zijn gesignaleerd, laag overvliegende vliegtuigen, wegtrekkende Duitsers, soms in de verte hoorbaar geschutsvuur, kortom datgene wat de meesten toentertijd als muziek in de oren klonk. 

 

Tot gevechten is het op het terrein van de toenmalige rijkswerkinrichtingen gelukkig niet gekomen. Het beeld, dat volgde op de 13 april 1945 en de dagen daarna is het beeld, dat in zoveel andere dorpen en steden werd aangetroffen: met oranje getooide kinderen, door B.S.'ers gevankelijk in dit geval naar het Cellengebouw afgevoerde handlangers van de bezetters, een enkele geallieerde militair, wachtlopende B.S.'ers etc. Maar ook de droefenis in vele gezinnen om diegene, die niet meer terug zouden komen, deed haar invloed gelden op de weken die daarop volgen. Het was mede in dat verband een goede gedachte van het in 1944 gevormde "illegaal oranjecomité", om pas 8 mei 1945 in de grote zaal van het aloude Verenigingsgebouw een historische bijeenkomst te laten plaatsvinden. 

 

"Een stijlvolle manifestatie, waarin uiting werd gegeven aan onze gevoelens van eerbied/hulde en dankbaarheid", zo beschreef de toenmalige notulist deze gebeurtenis, over het plaatsvinden waarvan een exemplaar van de kennisgeving aan de bewoners in de collectie van het museum is opgenomen. 

 

Aan het eind van dit overzicht nog een kleine slotopmerking. Het is gebleken, dat het een moeilijke opgave is om zoveel jaren na de jaren '40- '45 een volledig relaas te geven van Veenhuizen gedurende die periode. Vele gebeurtenissen uit die tijd worden op verschillende wijze uitgelegd. Wellicht kunnen in de toekomst aanvullingen worden aangebracht, zodat een nog meer waarheidsgetrouw beeld van Veenhuizen tijdens de tweede wereldoorlog kan worden opgebouwd. 

Bron Nationaal Gevangenismuseum Veenhuizen